Selecteer een pagina

Bij wie kun je schuilen als de storm woedt?
Bij wie voel jij je veilig? Bij wie zoek je troost?

Ik zag deze boom en vroeg aan de persoon met wie ik door het bos liep: ‘Zie jij het ook?’ Ik zag twee mensen die elkaar omhelzen. Een klein persoontje aan de voet van een grote reus. Het ontroerde mij, intuïtief nam ik er een foto van.


Pas later, toen ik het plaatje wilde delen met de rest van de wereld en mijmerde over schuilen bij een ander, aan liefde en omhelzing, bedacht ik dat deze boom leek op een beeld dat ik in 2009 maakte van mijn huwelijk, van mij en Mart.

Schuilen bij hem

Als (jonge) vrouw klampte ik mij regelmatig aan Mart vast. Omdat ik voelde dat het kon, ik door hem gezien werd en bij hem mocht schuilen als ik bang was en daar had ik nogal eens last van. Mart was als een stevige boom. Een grote romp op twee stevige, relatief korte stammen en lange armen als takken, een vriendelijk hoofd. Passende kleding vinden was een opgave; mouwen te kort, boord te krap en nooit een ‘gewone’ maat. Als het nodig was, kon ik me achter of naast hem verschuilen. Veilig in zijn schaduw. Ik wist hem altijd nabij.

Zijn stem was het eerste waar ik mee kennismaakte. Het stelde me gerust. Veilig, dat was Mart voor mij. Vanuit die geborgenheid kon ik mijn stappen in de grote, soms zo onoverzichtelijke en overweldigende wereld zetten. Met de zekerheid dat ik bij hem altijd terug kon keren in de geborgenheid van zijn armen, ons huwelijk en ons huisje, ons ritme en onze rituelen.

Zijn liefde voor mij was onvoorwaardelijk.

Mart wist hoe ik in elkaar zat. Wat ik meegemaakt had, hoe ik in elkaar stak en wat er in mij leefde. Hij wist wat ik nodig had. Als ik angstig was, iets me zo raakte dat ik begon te hyperventileren of vast raakte in mijn hoofd, uitgeput en overprikkeld was, hoefde ik alleen maar zijn hand te pakken. Een blik, een gebaar, een woord – het was genoeg. Samen vonden we uit hoe ik in elkaar steek en wat ik nodig had om rechtop te blijven staan.



Hartenkind

Op mijn beurt kende ik zijn kwetsbaarheid, zijn onzekerheden en worsteling met zijn fysieke beperking. Dat wat anderen vaak niet zagen van hem. Omdat je van een grote, sterke en schijnbaar onaangedane boom niet verwacht dat er een klein hartje in kan zitten, letterlijk een hart met een forse afwijking.

Ik hield van zijn litteken, zijn afwijkende hart was geen verhindering om van hem te houden.

Mart werd geboren met de dood in zijn lijf, een slappe baby onder het bloed, meteen door artsen weggehaald bij zijn moeder om tot leven te wekken. Zijn ouders zaten uren in spanning. Hij groeide uit tot een jongetje met vaak blauwe lippen en vingertoppen, adem tekort, een hart dat het tempo van een kind niet bij kan houden. Midden op de weg gaan zitten, uitgeput. Gedragen door zijn vader, bijgestaan door zijn moeder.

Zorgenkind – hartenkind.

Onderzoeken, cardiologen, ziekenhuizen en uiteindelijk een operatie vormden zijn kindertijd. Een litteken dwars over de borst. Een constante herinnering aan de kwetsbaarheid van zijn bestaan. Gelukkig met een vanaf toen normale levensverwachting, maar wel met een beperking. Harde wind, teveel inspanning, een heuvel oplopen… Het zat er niet in en het maakte hem onzeker. Hij was en bleef van binnen altijd de middelbare scholier met het liftpasje, uitgesloten van gymnastiek en niet in staat om te helpen met sjouwen. De uitzondering, die fysiek niet mee kon komen met zijn leeftijdgenoten. Het zat hem dwars.


Symbiose

Hoewel ik mij soms aan hem vastklampte en school in zijn schaduw en hij moest leven met een hartafwijking, was dat natuurlijk niet het hele verhaal. Er was nog een versie van het beeld. Eentje van tegenover elkaar. Als gelijken.

Ik kon om hem heen fladderen, hem blij maken en inspireren, zorgen voor een veilige en aangename sfeer in en om het huis. Een plek waar hij zichzelf mocht zijn, op adem kwam. Waar we vrienden, buren en familie konden ontvangen. Door mij maakte hij wonderlijke avonturen mee, dichtbij huis. Hij gaf mij stabiliteit. Ik zette de deuren open voor (kinderen van) nieuwkomers en voor kinderen met een beperking. Via hem bleven we in contact met ons studentikoze verleden, werd er geschaakt, waren er spelletjesavonden en mooie debatten en gesprekken. Ik zorgde voor het reilen en zeilen in huis, hij voor een stabiel inkomen. In al zijn lichamelijke kwetsbaarheid was hij veilig bij mij en kon hij zich ontplooien in werk en als persoon. Ik was zijn thuis.

Een huwelijk is een prachtige uitvinding, al claimt de tijdsgeest soms dat je vooral niet afhankelijk moet zijn van een ander. Ik geloof erin! Het is een God gegeven geschenk. Als weduwe besef ik dat pas ten volle.

Zo vormden wij een symbiose. Samen waren we sterk, ondanks – of misschien wel dankzij – onze kwetsbaarheden. Konden wij ieder voor zich en samen opbloeien en doen waar we goed in waren. Leunend op elkaar, maar in het grote levensbos hadden wij tegelijkertijd ook allebei een eigen plek, een eigen taak. We waren niet van hetzelfde soort, onze vruchten verschillend. Maar we hadden elkaar nodig om krachtig te zijn en ondergronds waren we innig vervlochten met elkaar. We waren dankbaar en genoten van wat ons ten deel viel. Tevreden, ondanks nieuwe tegenslagen voor Mart op het gebied van zijn gezondheid. Blij met ons huis in Den Haag, de katten, lekker eten en drinken, de ontmoetingen die we hadden en de rollen die we in de samenleving mochten innemen. We hielden elkaar overeind.



Onherstelbaar beschadigd

En toen… Het onvoorstelbare gebeurde. De grote boom raakte onherstelbaar beschadigd. Kon niet meer op eigen benen staan. Wat gebeurt er als zo’n grote boom noodgedwongen met al zijn gewicht op de kleine boom moet leunen? De bomen uit elkaar worden gerukt? De verhoudingen zijn compleet zoek. De draagkracht van de kleine boom is niet opgewassen tegen het gewicht van zoveel zorg. Als de grote boom definitief omvalt, verplettert het de kleine boom. Het raakt zwaar beschadigd.

Waar kan het boompje nu schuilen?
Waar is het veilig? Hoe moet het weer gaan bloeien en fladderen? Wat is de functie van het boompje nu? Hoe moet het overleven zonder die andere boom? Want er is geen enkele andere boom op aarde die ten diepste weet wat deze twee bomen samenbond. Wat deze bomen samen meemaakten. Het boompje is diep ontredderd, ontworteld en raakt op drift.

Opnieuw wortelen

Wat heeft het boompje nodig om weer te wortelen? Om weer tot leven en tot bloei te komen? Daarvoor zijn andere bomen nodig. Bomen met geduld en compassie. Bomen die hun takken uitsteken en zeggen: ‘Laat me jou bij de hand nemen. Ik overzie het wat beter! Je moet zelf de stappen zetten. Ik kan niet voor jou groeien. Maar ik kan je in ieder geval een tijdje ondersteunen.’ Dat is liefde in gebrokenheid.

Er blijft een litteken, een gemis, een blijvende pijn. Iets wat niemand ooit helemaal kan opvullen.


Het kleine boompje moet opnieuw leren vertrouwen op zichzelf en op anderen, wortelen zonder die de vertrouwde boom  en zich veilig weten in de nabijheid van anderen. Dan kan het het weer opbloeien, nieuwe rollen innemen en taken op zich nemen.



Liefde vergaat nooit

Dat stond boven de rouwkaart van Mart. Gekozen uit 1 Korintiërs 13, het stuk dat hij zo mooi vond. Ieder mens laat hoe dan ook iets na. Leeft voort in anderen. Het is voor de achterblijver – of kun je beter zeggen, degene die doorgaat? – een blijvende zoektocht naar welke plek je dierbare inneemt in het leven van nu, wat je meeneemt de toekomst in en hoe je zelf een nieuwe plek inneemt. Dat is hard werken. Een zwaar en langdurig proces. Onderschat het niet!

Rouwen is hard werken en niet zomaar klaar. Compassie daarmee vraagt om een lange adem en veel geduld!

Als in de natuur iets afsterft en verwelkt, wordt het altijd weer opgenomen in de kringloop. Niets gaat ooit echt verloren. Misschien is dat bij mensen wel net zo. Iemand kan sterven, wegvallen uit het leven. Fysiek niet meer aanwezig. Maar echt weg is de ander niet. Je neemt de ander altijd mee!