Selecteer een pagina

Opeens kwam het eruit… Mijn woede die zo primair was. Recht uit het hart. En ik liet me ook echt gaan. Ratsj… Daar ging een groene mok. Aan diggelen! Een oerschreeuw steeg uit mijn binnenste en nog één en nog één en ik schreeuwde alles eruit wat daar in de krochten van mijn ziel al zo lang borrelt!

DIT IS NIET MIJN LEVEN! DIT BEN IK NIET. IK BEN EEN VROLIJKE VROUW, DANKBAAR EN GETROUWD MET MART DIE EEN TOFFE BAAN HEEFT EN WE HEBBEN VEEL LOL SAMEN EN GENIETEN VAN DE KATTEN, ONZE NEEFJES EN NICHTJES EN HEBBEN EEN SOCIAAL LEVEN. EN IK DOE DINGEN! IK WERK, IK HEB EEN SOORT VAN OVERZICHT OP MIJN HUISHOUDEN, IK HEB MIJN ANGSTEN REDELIJK ONDER CONTROLE, IK GA NAAR HET NAAIATELIER, IK GENIET VAN HET LEVEN EN PARTICIPEER VOLLEDIG.

Maar dat is niet meer zo. Mart leeft niet meer. Ik ben kinderloos, ik heb geen baan en de dagen doorkomen is vaak een opgave. Psychisch en emotioneel gezien ben ik van tijd tot tijd tamelijk een wrak. Mijn hele volwassen leven worstel ik al om mee te komen in life’s rat race. Ik ben bekend met angsten, depressie, gebrek aan overzicht, minderwaardigheidsgevoelens. Toch heb ik me daar op mijn manier altijd dapper doorheen geknokt. Hulp gezocht, ik hield als student al dabkbaarheidsboekjes bij. Ik heb mijzelf keer op keer opnieuw uitgevonden en uiteindelijk ook balans gevonden. Genoeg om dankbaar en blij in het leven te staan, te genieten van mooie vriendschappen, een open huis en talenten om in te zetten in de kerk en de wijk. Weerbaar ondanks tegenslagen zoals de ziekte van Mart toen die zich voor het eerst openbaarde en om samen te verhuizen en te accepteren dat kinderen er voor ons niet in zaten.

En dan zie ik de plaatjes van leeftijdgenoten. Ze hebben elkaar nog en kinderen, vaak best goede banen, hun huis is redelijk netjes aan kant, ze kunnen zich ontspannen en gaan op vakantie, kunnen participeren in kerk en maatschappij en zijn veelal geestelijk en lichamelijk gezond en financieel stabiel.

En soms…

SOMS DAN WORDT HET MIJ TE KWAAD!

Niet omdat ik ze dat niet gun. Maar omdat ik er met verstand en gevoel niet bij kan waarom de één zo’n buitengewone last te dragen krijgt, terwijl degenen die stabiel en veerkrachtig zijn vaak redelijk ongebutst het leven doorkomen. En dan doel ik echt niet alleen op mijzelf, want ik ken er zoveel die moe en belast zijn en buitengewoon veel op hun bordje krijgen. Mijn hoofd kan er niet bij hoe mijn leven zo veranderd is. Waar is mijn sociale leven? Waar mijn werklust? Mijn vreugde? Mijn vermogen om te ontspannen? Om de dag met frisse moed te beginnen?

Ik zie ook veel posts over God voorbij komen. Hoe Hij je helpt. En dat Hij een plan met je heeft en jij mag shinen en weet-ik-veel. En over tijd met God doorbrengen. En o man, wat wil ik dat graag geloven. Wat doe ik daar mijn best voor. Ik herinner me nog dat ik als kind zoveel van God hield en me voor nam om goed voor Hem te leven. Geen dag ging voorbij of ik dacht niet na over God en het leven. Maar toch was ik angstig en dat leek niet te kloppen. Ik zag al snel in dat leven lijden is. Dat mensen ziek worden en dood gaan. Ik zag dat zeker in het kerkelijk leven. Ik hoorde het van de preekstoel. Leven is geen paradijsje en shinen voor God gaat meestal gepaard met snottebellen, bittere tranen en gebroken harten. Denk ik. Toch laat Hij mij niet los. Kennelijk.

Mijn schreeuwen en de gebroken beker voelden vreemd genoeg alsof het mocht. En dus trok ik de kast open, pakte drie borden en smeet ze tegen de vlakte. Flink aan diggelen! Net zoals mijn leven, mijn geloof en vooral mijn hersenen die niet naar behoren werken. Dat krijg je kennelijk als je teveel op je bordje hebt liggen.

Life ain’t fair. Life ain’t easy.

En toch moet het geleefd worden. Die beker moet leeg gedronken worden. Tot het bittere eind. En soms heb ik daar even danig de pé in. Maakt het me een minder mens? Een slechte gelovige? Of is het het eerlijke doch pijnlijke verhaal?

En ja, hulp blijf ik zoeken. Terwijl corona de boel plat legde, beantwoordde ik tig vragen voor psychiatrisch onderzoek. Had ik telefonisch gesprekken met een onderzoeker, die ook uitgebreid met mijn ouders sprak over mijn kindertijd. Ik weet al zo’n beetje wat er uitkomt. Wat mij tot zo’n warhoofd maakt. Opluchting, woede en verdriet om wat nooit eerder is ontdekt en angst voor het onbekende wisselen elkaar af. Maar hopelijk is dat het begin van een behandelplan met als stip op de horizon meer rust en overzicht en vrede en een leven leven dat bij mij met mijn beperkingen en sterke punten past.